essay over werkwijze Willemien door Ed de Jonge


in Galerie “De Blauwe Deur” te Almen, oktober 2010

Keuze: Mythe

Motivatie: Verrassend is dat het werk op spontane wijze is ontstaan en toch op een magisch-realistische wijze geladen lijkt te zijn met symbolische betekenis.



Verbazingwekkende schoonheid, verrassende betekenis

Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Willemien



Inleiding: gave en drijfveer

Willemien bezit als beeldend kunstenaar, denk ik, vooral het vermogen om, schijnbaar uit het niets, werken van grote schoonheid te creëren, en dat in een grote diversiteit van materialen en technieken, stijlen en thematieken. Deze – in mijn ogen bijzondere – gave verhoudt zich slechts moeizaam tot de hedendaagse kunst. Schoonheid lijkt namelijk te hebben afgedaan als artistiek criterium: terwijl Oscar Wilde in het Fin de siècle nog provocatief kon opmerken “The artist is the creator of beautiful things”, geldt na de gruwelen van de tweede wereldoorlog vooral Luceberts dictum “Schoonheid heeft haar gezicht verbrand.” Bovendien lijkt een kunstenaar die geen goed verhaal heeft bij het eigen werk tot een zwakke positie in de kunstwereld te zijn veroordeeld: de achterliggende opvattingen lijken soms zelfs belangrijker te zijn dan het resultaat zelf – zoals in de hedendaagse economie het imago van een product belangrijker lijkt te zijn dan zijn daadwerkelijke eigenschappen – en in die zin lijkt veel hedendaagse kunst vooral ook een conceptueel karakter te bezitten. Tot slot scoort ook diversiteit niet goed, want zelfs in postmoderne tijden wil men van een kunstenaar blijkbaar vooral toch een ontwikkeling zien, en dat veronderstelt hoe dan ook dat er voortgeborduurd wordt op eerder behaalde resultaten. Een belangrijke motivatie voor het creatieve proces van beeldend werken van Willemien is echter dat zij zichzelf voortdurend wil verrassen. Dit lokt een zekere mate van diversiteit uit en maakt een conceptuele benadering haast onmogelijk. Wel heeft deze drijfveer ertoe geleid dat zij de laatste tijd wat losser is komen te staan van haar gave om vooral schoonheid te creëren; een gave creëert immers niet alleen mogelijkheden maar brengt ook altijd beperkingen met zich mee.

Verrassing als drijfveer is ook de basis voor de expositie, want hierin laat Willemien zich verrassen door (de motivaties voor) de keuzen uit haar werk door degenen die dicht bij haar staan. Ik heb daarom gekozen voor een werk dat mij zeer verrast heeft. In zekere zin is haast elk werk van haar voor mij verrassend, omdat ik nog steeds geraakt kan worden door de resultaten van de bovenbeschreven gave. Maar deze vorm van verrassing is voor verschillende werken in zeker opzicht vergelijkbaar. Paradoxaal geformuleerd is dat een vorm van verrassing waar ik enigszins gewend aan ben geraakt. De verrassing blijft, maar ik herken haar wel. Binnen de diversiteit van Willemiens werk heb ik wel vooral affiniteit met haar beelden waarin als het ware een andere werkelijkheid lijkt door te breken. Het eerste werk in deze stijl dat ik mij van haar herinner heeft zij gemaakt tijdens haar afstuderen als creatief therapeut. Hierin lijkt een insectachtig wezen uit de grond te kruipen. De laatste tijd lijken meerdere werken in deze sfeer te ontstaan. Het dansend kastje, de Zwarte figuren in rood, en Het Chinese kastje, dat een combinatie van de beide andere schilderijen lijkt te zijn. Ook Walking hoort hierbij (sinds ik Haruki Murakami’s De opwindvogelkronieken heb gelezen heet de vrouw op dit schilderij voor mij Kumiko). Ofschoon deze werken mij het meeste aanspreken – en ik vermoed dat Willemien zich in deze richting op vruchtbare wijze verder zou kunnen ontwikkelen – heb ik voor een iets ander werk gekozen, namelijk Mythe. Een raakvlak met deze affiniteit is wel dat het werk een magisch-realistisch of symbolisch karakter lijkt te hebben.


Schilderij: keuze en interpretatie

De grote verrassing van dit werk is voor mij dat het, zoals het meeste werk van Willemien, spontaan is ontstaan en toch welhaast bol lijkt te staan van betekenis. “Beauty is in the eye of the beholder” wil het gezegde, en misschien geldt dat ook wel voor betekenis. Misschien ben ik degene die zoveel betekenis in dit werk legt. Maar dan nog is het verrassend dat dit spontane werk dit toelaat, zich er niet tegen verzet en dit zelfs lijkt op te roepen. In die zin past het werk in de magisch-realistische traditie: de kunstenaar roept door haar inspiratie iets op waar zij zich tijdens het scheppingsproces niet of nauwelijks van bewust lijkt te zijn. Ik zal proberen te beschrijven hoe ik dit schilderij lees en op die manier iets van mijn verbazing proberen over te dragen.

Als we kijken naar de achtergrond, dan zien we grofweg maar toch onmiskenbaar een horizontale tweedeling. In de bovenste helft van het schilderij overheersen de blauwe tinten en in de onderste de bruine. Zeker in combinatie met de wezens op de voorgrond lijkt slechts een interpretatie mogelijk: hemel en aarde. Dit is in mijn ogen de centrale thematiek van het schilderij. Beide sferen zijn overigens niet scherp van elkaar afgescheiden maar vloeien in elkaar over: de bruine tinten schemeren door het hemelse blauw en de aardse sfeer bezit ten dele een hemelse gloed. Wanneer de thematiek van het schilderij inderdaad hemel en aarde is, dan zegt dit vervloeien van de achtergrondkleuren iets over het woordje ‘en’: de beide sferen zijn niet gescheiden maar doordringen elkaar wederzijds.

De voorgrond van het schilderij bestaat uit twee figuren die regelmatig in Willemiens werk terugkeren: een vrouw en een stier. Op veel schilderijen hebben vrouw en stier een uitstraling van vitaliteit en viriliteit, sensualiteit en seksualiteit, maar hier lijken zij een geheel andere betekenis te krijgen. Kijken we naar de kleur van de beide figuren, dan zien we dat zij zich klaarblijkelijk vooral in hun eigen sfeer ophouden: de blauwe stier verschijnt tegen de blauwe hemel (de blauwe kleur van wezens verwijst in de symboliek van het hindoeïsme naar een goddelijke oorsprong) en de bruine vrouw tegen de bruine aarde. Maar ook hier betreft het niet een scherpe scheiding. Beide wezens dringen ten dele door in de andere sfeer, met name met hun voorste extremiteiten: de voorpoten van de stier en de armen van de vrouw.

Niet alleen de kleur maar ook de vorm geeft beide figuren een duidelijke positie. Bij de stier lijken hoorns plus ogen plus neus in hun onderlinge verbondenheid eerder een symbool voor te stellen dan een organisch onderdeel van het gehele dier. Men kan zich voorstellen dat dit symbool van goud of zilver een Egyptisch aandoende schoonheid bezit en door een Babylonische hogepriester wordt gebruikt bij een rituele eredienst of ter versiering van een heiligdom. De vrouw daarentegen is zeer aards. Zij lijkt nog maar net uit het aardse stof te zijn ontstaan. Zij is een eva, een oermoeder; elke culturele verfijning en verfraaiing ontbreekt.

Beide figuren vallen op door hun onderlinge verschillen. De aardse vrouw is vol, terwijl de hemelse stier letterlijk door een innerlijke leegte wordt gekarakteriseerd. De goddelijke stier bezit daarentegen een hemelse glans, terwijl de aardse vrouw een grofstoffelijke dofheid bezit. Zegt het schilderij hier iets over hemelse glans en aardse rijkdom? De hemel verleent glans aan de werkelijkheid, maar haar rijkdom bezit een aardse oorsprong.

Terwijl veel werk van Willemien een zekere dynamiek uitstraalt, bezit dit schilderij juist een statisch karakter. De figuren lijken haast te poseren. Hierdoor is het verleidelijk ook de compositie op een symbolische wijze op te vatten. Deze compositie bezit in mijn ogen vooral een cirkelstructuur, die vooral wordt opgeroepen door de armen van de vrouw. Haar beide handen wijzen in de richting van een zeer bepaald deel van de stier. De rechterhand heeft een ontvangende houding en is gericht op het geslacht van de stier. Dit lijkt te suggereren dat het aardse leven een hemelse oorsprong heeft, zoals in sommige mythen het sperma van de oppergod in de vruchtbare aarde tot het ontstaan van het leven leidt. De linkerhand van de vrouw heeft een actieve uitstraling en is gericht op het religieuze symbool in de vorm van de hoorns van de stier. Bij nader toezien lijkt juist dat deel van de hoorns waar de hand naar wijst het meest lichtgevend te zijn. De hand van de vrouw lijkt het oplichten van de hoorns te veroorzaken. Betekent dit dat het hemelse stralen uiteindelijk door aardse invloeden bewerkstelligd wordt, misschien zoals licht duisternis nodig heeft?

Het schilderij als geheel lijkt betrekking te hebben op het raadsel van de volle werkelijkheid als het huwelijk tussen hemel en aarde. Het beeld biedt geen oplossingen maar draagt wel enkele suggesties aan en roept vooral vragen op. Misschien is dit laatste ook de kracht van het schilderij, waardoor het mij blijft boeien en verrassen. Want, zoals Mulisch opmerkte: “Het beste is, het raadsel te vergroten.”.  Het beste wat een kunstenaar kan doen, is niet het raadsel op te lossen maar de raadselachtigheid te onthullen.